Maakindustrie

auteur: Mark Nieuwenhuizen
September 11, 2013

En alweer hoor ik op de radio een item voorbij komen dat we ons als Nederland meer moeten gaan richten op de maakindustrie. Ik zucht maar weer eens. Voor de zoveelste keer. Om zoveel domheid, om zo veel ergens de klok hebben horen luiden maar geen flauw benul hebben waar de klepel hangt. In deze vorm is dat geen visie maar een wensgedachte en een hang naar veilige nostalgie.

Het grote probleem is dat eigenlijk niemand helder heeft wat de maakindustrie nu eigenlijk is. In de reportage hoor ik iemand zeggen dat we heel erg goed zijn in het bouwen van schepen. Voor mijn geestesoog zie ik een grote werf waar massale stalen schepen worden gebouwd. Ik zie mannen in overalls, zwarte gezichten, zwaailichten die de komst van een megakraan aankondigen en de kleur van vonkenregens en lasbogen. Is dat de maakindustrie waar we naar toe moeten? Wie het beeld even naar zwartwit zet, waant zich in een film van Bert Haanstra uit de jaren vijftig.

Het grote probleem van de maakindustrie is dat het een combinatie van twee woorden is waar geen jongere op zit te wachten. Maken zit ons allang niet meer in het bloed en een kind dat om gereedschap vraagt in plaats van een nieuwe game-console of iPad wordt raar aangekeken. Hoeveel kinderen (en hun ouders) kunnen nog een band plakken of zelfs de harde schijf in hun computer wisselen. Het andere woord wat velen doet huiveren is industrie. Het doet ons denken aan milieuproblemen, zwaar en vies werk en rijen mensen die om klokslag acht uur een poort door lopen. Ik ken maar weinig jongeren die dit een aansprekend beeld vinden en er zullen maar weinig ouders zijn die hun zoon of dochter stimuleren om juist daarvoor te kiezen.

Aan de andere kant zie ik nog steeds wel vakmanschap. Ik heb in het verleden veel jongeren geïnterviewd die bijvoorbeeld een baan hadden als onderhoudsmonteur bij de staalfabriek van Corus of die bij de mensen thuis problemen met de stroomtoevoer oplosten. Deze jongens waren gek van hun vak maar dan vooral omdat ze elke dag problemen tegen kwamen die ze op een vakmatig creatieve manier moesten oplossen. Hun handen deden het werk maar eigenlijk waren ze vooral in hun hoofd met oplossingen bezig. Zo sprak ik eens een jongen die ondanks dat ie het voorkomen van een klassieke arbeider had, bekende dat als hij met een complexe chemische afsluiter bezig was, hij deze als een soort ‘exploded view’ voor zijn geestesoog zag.

In de komende jaren gaan ‘maken’ en ‘industrie’ steeds minder samen. Steeds meer producten worden bedacht op het beeldscherm en elk exemplaar dat wordt verscheept kent tientallen modificaties die precies aansluiten op de wensen van de klant. Veel van de onderdelen zullen straks uit grote en kleine 3D-printers komen en door robots in elkaar worden gezet. Als er op grote schaal menselijke handjes nodig zijn, zullen die in armere landen zijn te vinden waarvan er helaas nog voldoende zijn. Waar het woord industrie voorkomt, praat je over het maximaliseren van de productie en zal er altijd een andere plek op aarde zijn waar die winstmaximalisatie veel beter is te realiseren dan in Nederland.

De bevolking vergrijst in rap tempo en dat betekent vooral dat we zuinig moeten zijn op de jongeren die er wél voor kiezen om hun handen vuil te maken en lekker te sleutelen. Ondanks alle stimuleringsmaatregelen van de afgelopen drie decennia is dat arsenaal niet veel groter geworden en in de veranderende wereld hebben we deze relatief kleine groep mensen straks hard nodig om ervoor te zorgen dat we onze systemen kunnen onderhouden. Als er schaarste op dat deel van de arbeidsmarkt is en zal blijven, betekent het dat je die schaarse resources voorzichtig en vooral welbedacht moet inzetten waar ze de meeste waarde creëren. En dat is dus niet in wat men de maakindustrie noemt.

Category: blog | RSS 2.0 | Give a Comment | trackback

No Comments

Leave a Reply